Gambar halaman
PDF
ePub

Medewerkers aan het eerste deel der Encyclopædie van

Nederlandsch-Indië.

[merged small][ocr errors][merged small][merged small][ocr errors]

A.
ABENDANON. E. C. Mijningenieur.

ADRIANI. Dr. N. - Afgevaardigde vh Nederl. Bijbelgenootschap op Midden-Celebes.

ALPHEN DE VEER. M. J. VAN. — Inspecteur M. O., oud-Inspecteur van Scheepvaart in N. I.

B. BAKKER. H. Luit. Kolonel Gen. Staf N.-I. Leger.

BEAUFORT. Dr. L F. DE. to Eerbeek.

BEMMELEN. Prof. Dr. J. F. VAN. Hoogleeraar te Groningen.

BEMMELEN. Dr. W. VAN. Directeur Kon. Magn. en Met. Observatorium te Batavia.

BERG. Mr. N. P. VAN DEN - Oud-President Ned. Bank (overleden).

BERKHOLST. W, A. Assistent-Resident.

BERKHOUT, H. A. Referendaris Dept. van Koloniên, oud Majoor Genie N. I. Leger,

BEZEMER. T. J. Leeraar Hoogere L. T. B. School te Wageningen.

BLANKEN. W. C. Oud Assistent-Resident. BODEMEYER. O. E. Oud Resident.

BOES. A. G. Oud Inspecteur Inlandsch Onderwijs in N. I.

BOREL H. Oud Ambtenaar v. Chin. zaken.

BOSBOOM. H. D. H. - Gep. Luit. Kolonel Gen. Staf N. I. leger.

BOSMAN. J. Oud Resident.
BRUYN KOPS. G. F. DE. Oud Resident.
BIJLEVELT. B. L. VAN Resident.

[merged small][ocr errors]

HAAN. Dr. J. DE. Oud Directeur v/h Genoeg. kundig Laboratorium te Batavia.

HAMERSTER. M. Controleur B. B. HARLOFF. A. J. W. Assistent-Resident. HEERES. Prof. Mr J.E. - Hoogleeraar te Leiden.

HEMSING. Mr. Dr. H. L. - Adm. Ministerio v. Koloniën.

HENS. A. M. Assistent-Resident.
HERMENS. O. E. V. Oud Resident.
HEYTING. H. G. Oud Resident.
HOFLAND. J. Oud Resident.

HONERT. H. C. VAN DEN - Directeur Deli Mij. (overleden).

HOEVELL TOT NIJENHUIS. G. W. W. C. Baron VAN. Oud Gouverneur van Celebes en 0.

HUBRECHT. Dr. P. F. Assistent ald afd. Mijnbouwkunde T. H. te Delft.

C. CABATON. A. Ancien membre de l'Ecole française d'Extrême Orient; chargé du cours de Malais à l'école des langues orientales, Paris.

CARPENTIER ALTING. Prof. Mr. J. H. Hoogleeraar te Leiden.

COCHIUS. F. D. Directeur van Handelsinstellingen en andere N. Vos.

COHEN. L. Leeraar H. B. S. te Zaandam. CORNELIS. W. Oud Kapt. Luit. t/zee.

[blocks in formation]

D.
DAMSTÉ. H. T. Assistent-Resident.

DEKKER. Dr. J. Directeur Afd. HandelsMuseum Kol. Instituut.

DEKNATEL, A. Chef Afd. Ned. Handel Mij.

DIJK. L. J. VAN Adjunct-Commies Dept. v. Koloniēn.

DOM VAN ROMBEEK. L. E. Inspecteur Gouv, Koffiecultuur in N. I.

DUNNEBIER. W. Zendeling van het Ned. Zand. Genootschap.

DWIDJO SEWOJO MAS NGABEHI to Djok. jokarta.

E,

K.

KALFF. E. Assistent-Resident.

KAMPEN. Prof. Dr. P. N. VAN. Hoogleeraar te Leiden,

KAPPEN. C. E. VAN. Oud Assistent-Resident. KERN. Prof. Dr. H. Oud Hoogleeraar.

KERSBERGEN. Dr. W. C. Kolonel Geneesk. Dienst N. I.

[blocks in formation]
[ocr errors]
[merged small][ocr errors]

KIELSTRA. Dr. E. B. Staatsraad i. b. d. KLAVEREN. L. M. VAN. - Controleur B. B.

KLEIWEG DE ZWAAN. Dr. J. P. Privaat docent a/d Universiteit te Amsterdam.

KOHLBRUGGE. Prof. Dr. J. H. F. - Buiten. gewoon Hoogleeraar te Utrecht.

KREISCHER. L. Oud Resident.

KROM. Dr. N. J. Chef v. d. Oudheidkundigen Dienst in N. I.

KRUYFF. E. DE. Chef Afd. Nijverheid en Handel Dept. L. N. H. in N. I.

KRUYT. Dr. ALB. C. Zendeling leeraar v/h Nederl. Zendelinggenootschap op Midden-Celebes.

S.

1

L.

LAMMINGA. A. G. Oud Hoofdingenieur N. I.

LANGE JR., Dr. D. DE. - Privaatdocent en assistent ash Zoöl. Laboratorium v/d R. U. te Groningen.

LOEBER JR., J. A. Leeraar aan de Kunstnijverheid school te Elberfeld.

SALVERDA. A. TH. L. Oud Hoofdinsp. Bosch wezen.

SANTEN. P. J. VAN. Oud-Onderpastoor te Bandoeng. (overleden)

SCHUILING. R. · Leeraar H. B. S. Deventer. SCHRÖDER. E. E. W. G. Controleur B. B.

SERTON. P. Assistent Handelshoogeschool te Rotterdam.

SPAAN. A. H. Assistent Resident.
SLUYS. A. G. H. VAN. - Assistent-Resident.
SNETHLAGE, A.- Secretaris N. I. S.

SNOUCK HURGRONJE. Prof. Dr. C. Hoogleeraar te Leiden.

STUURMAN. J. R. Oud Resident.

STAAL. J. J. Oud Kol. Genie N. I. leger (overleden ).

SUERMONDT. A. Lid der Alg. Rekenkamer te Batavia.

T.

M.

TESCH. Dr. P. - Districtsgeoloog. bij de Rijksopsporing van Delfstoffen, Nijmegen.

TIDEMAN. J. Gewestelijk Secretaris N. I.

MEYERE. Prof. Dr. J. C. H. DE. — Buitengewoon Hoogleeraar in de Entomologie van de G. U. te Amsterdam.

MOHR. Dr. E. C. J. — Chef Agrogeol. Laboratorium Dept. v. Landbouw N. I.

N. NABER. S. P. L'HONORÉ Secretaris v. h. Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap.

NEUMANN. J. B. Oud Resident.

NIERMEYER. Prof. J. F. Hoogleeraar te Utrecht. NUSSELEIN. H. H. F. J.

- Assistent-Residen

[ocr errors][merged small][merged small][ocr errors][merged small]

0

OORT. Dr. E. D. VAN. Dir. rijksmuseum v. natuurlijke historie te Leiden.

OPHUYSEN, Prof. CH. A. VAN. Hoog. boeraar te Leiden.

OUDEMANS. G. J. Oud Resident.
OVERDUYN. F. K. Oud Resident.

VELDE C. VAN DE. Oud Resident. VISSERING. Mr. G. President Ned. Bank. VOGEL. H. C. A. G. DE. - Oud Resident.

VOLLENHOVEN. Prof. Mr. C. VAN — Hoogleeraar te Leiden.

VOORDUIN. J. C. Oud Hoofdingenieur B. 0. W.

W.

[ocr errors]
[merged small][merged small][ocr errors][merged small]

WAALS. L. J. VAN DER. Commies Dept. V. Koloniën.

WELBERGEN. H. G. Adj. Commies idem. WENTHOLT. L. R. Resident.

WESTERDIJK. Prof. Dr. JOHANNA. Bai. tengewoon hoogleeraar te Utrecht.

WESTENENK. L. E. Resident.

WING EASTON. N. Oud Hoofdingenieur Mijn wezen N. I.

WINTGENS. W. C. B. Oud Inspecteur van Scheepvaart in N. I.

WIJERS. P. Oud Resident.

R.

Z

RAEDT VAN OLDENBARNEVELT. H. J. A.
Oud Resident.
RAHDER. W. J. Oud-Resident.

ROMBURGH. Prof. Dr. P. VAN. — Hoogleeraar to Utrecht.

RONKEL. Dr. PH, S. VAN Ambt. v. d. beoefening der Indische talen.

ZAALBERG. Mr. Dr. H. Directeur Postspaarbank. N. I.

ZONDERVAN. H. Hoofdredacteur Encyc). Winkler Prins.

TOEVOEGSELEN EN VERBETERINGEN.

NADER VAN DE NED. IND. REGEERING VERKREGEN BEVOLKINGSCIJFERS.

[blocks in formation]
[merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][ocr errors][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small]

Blz. 4, 20 kol. regel 15 van onderen: Islam IV, b, moet zijn Islam IIIc.

9, le kol. onderste regel: Pagangan moet zijn Pagongan.
25, le kol. regel 20 van boven: Rantjah Lawas moet zijn Bantjah Lawas.
28, le kol. regel 25 van boven: In stede van maanden, lees weken.
35, 1e kol. regel 31 van onderen: Achter Boeroe in stede van 87600, lees 20000.

Totaal ter zijde in stede van 80600, lees 87600. 66 en 67, de artikelen: Asjoera, Asoe, Asperge, Aspirant-controleur, Assal en Assantochten moe

ten in deze volgorde komen achter Asinan; zijn thans alphabetisch niet op

hunne plaats. 151, le kol. regel 14 van boven: z.g. nieuwe octrooi moet zijn nieuwe z. g. octrooi. 347, 10 kol. regel 10 van boven: Bornerate moet zijn Bonerate. 410, 2e kol. regel 29 van onderen: BROECK moet zijn BROECKE. 410, 20 kol. regel 10 van onderen: Calcutta moet zijn Kalikoet. 411, le kol. regel 1 van boven: Broeck moet zijn Broecke. 435, le kol. regel 8 van onderen: het woord je niet moet vervallen. 487, 2e kol. regel 9 van onderen: gatannah moet zijn gotannah. 492, In het art. Citrus Nobilis 2e regel staat tjolpok, lees tjoplok. 606, 2e kol. regel 13 van onderen: Broeck moet zijn Broecke. 783, le kol. regel 17 van onder: achter gutta percha leze men gummi plasticum.

A.

AA(ABRAHAM JAKOB VAN DER),schrijver van „Nederlandsch Oost-Indië (1846-1857)”geb. te Am. sterdam 6 Dec. 1792, gest. 21 Maart 1857. Behalve het genoemde werk stelde hij verscheidene andere samen, van welke wij, als min of meer ook met Nederlandsch Indië in verband staande, hier alleen noemen het Biographisch woordenboek der Nederlanden, dat echter door anderen werd voltooid.

AA (PIERRE JEAN BAPTISTE CHARLES ROBIDÉ VAN DER), geb. te Oosterbeek 23 Mei 1832, gest. te 's Gravenhage 10 Febr. 1887. Hij studeerde aan het Luthersch Seminarium, doch bleef later ambteloos, en vestigde zich te 'sGravenhage, waar hij zich met koloniale en aardrijkskundige studiën bezighield en vooral groote verdiensten verwierf door zijne geschriften over N. Guinea. Onder den pseudonym Robrecht van Peene schreef hij o. a. vele artikelen in de Koloniale Jaarboeken. Tal van bijdragen van zijne hand, met N. 0. I. in verband staande, komen voor in de Gids, de Indische Gids, de Handel. van het Ind. Gen., de Bijdr. t. t. I. en vlk., T. v. h. Aardr. Gen. en de Ned. Spectator, terwijl de uitgaven van belangrijke werken door hem be. zorgd en met Inleidingen en Aanteekeningen verrijkt werden, nl. v. Rosenbergs Reis n. d. Zuidooster eilanden en diens Reistochten naar de Geelvinksbaai in 1869 en 1870; voorts: de Reizen naar Ned. N. Guinea in 1871-1876 en Bock's Reizen in Oosten Zuid-Borneo. Ook zijne Afrikaansche Studiën moeten hier vermeld worden.

Zie: J. K. W. Quarles van Ufford, in Levensber. Maatsch. N. Lett. 1887.

AAL. Aalachtige visschen (Apodes) komen in groote verscheidenheid in den Indischen Archipel voor. Een 7-tal paling-soorten, van het zelfde geslacht (Anguilla) als de europeesche paling, bewonen het zoete water van de meeste eilanden. Malei. sche naam: Moa. De meest gewone soorten zijn Anguilla mauritiana Benn. (Soendaneesch: Loebang) en Anguilla australis Rich. (Soendaneesch: Lara, javaansch: Sidat). De europeesche zeepaling (Conger conjerj komt ook in de Indische zeeën voor, doch een verwante soort (Conger cinereus Rüpp.) is meer algemeen. De koraalriffen herbergen een groote verschei. denheid, dikwijls zeer bont gekleurde aalachtige visschen, voornamelijk tot het geslacht Gymnothorax (Muraena) behcorend. Twee soorten Chelevastes colubrinus Bodd. en Leiuranus semicinctus Lay & Benn. zijn opvallend licht en donker geringd, waardoor zij groote overeenkomst vertoonen met de zeer vergiftige zeeslangen. Monopterus javanensis (maleisch: Lindoeng, Soendaneesch: Beloet, Javaansch: Weloet) en Symbranchus bengalensis Mc Cl. hebben geheel het uiterlijk van alen, doch behooren tot een geheel andere groep (Symbranchii). Zij bewonen het zoete water van degroote Soendaeilanden en Celebes, terwijl laatstgenoemde soort ook op Nieuw-Guinea

is aangetroffen. Uitwendig zijn zij van aalachtigen te onderscheiden door het bezit van een enkele kieuwopening, aan de buikzijde gelegen. Door zich diep in den modder in te graven kunnen zij het leven behouden bij uitdrooging van hun verblijfplaats.

AARDAPPEL. Kentang (MAL.), afkomstig van So. lanum tuberosum L. fam. Solanaceae, een kruid. achtige plant, die in Chili in 't wild voorkomt en vermoedelijk haar vaderland in het Andesgebergte heeft. De plant is in de 18de eeuw naar Europa overgebracht, waar de cultuur al spoedig een groote uitgebreidheid verkreeg. De aardappel is dan ook over een groot deel van Europa volksvoedsel ge. worden. Het is waarschijnlijk dat de Nederlanders den aardappel naar Ned.-Indië hebben overgebracht: het is echter ook mogelijk dat de Chineezen dit gedaan hebben.

In Ned. Indië worden de aardappelen, ten behoeve van Europeanen door de inlanders gekweekt. Alleen de Tenggereezen gebruiken ze zelf als voed. sel, na ze gekookt, fijngewreven en met djagoeng vermengd te hebben. Ook de Papoea's van het Arfakgebergte in West-Nieuw Guinea kweeken de aardappelen op vrij grooten schaal en gebruiken ze als hun voornaamste voedsel, zooals de andere be. woners van het gebergte van Nieuw-Guinea in den regel de knollen van Ipomoea Batatas eten.

De aardappel is een gewas van de gematigde luchtstreken en ontwikkelt zich in de tropische kustlanden abnormaal. Zij wordt in Ned.-Indië, bij voorkeur tusschen 1000 en 2000 Meter geteeld, hoewel men haar reeds op 600 Meter aantreft. Voornamelijk vindt men haar op ongeirrigeerd land, hier en daar ook als tweede gewas op sawah-terreinen. Er zijn op Java eenige Europeesche kweekers, die aan de aardappelcultuur moeite besteden en een tamelijk goed product krijgen. De inlandsche aard. appelcultuur is echter nog zeer primitief. Men gebruikt zeer kleine bibit (knollen, die de Chinees niet koopen wil); de planten worden veel te dicht op elkaar gezet; de knollen worden geoogst vóór zij uit. gerijpt zijn en de grond wordt onvoldoende bewerkt en bemest. Door deze ongunstige groeivoorwaarden en misschien ook door het warme klimaat is de aard. appel op Java van een veel te zachte, waterige, zetmeelarme consistentie: zij nijgt licht tot rotten. De inlanders verbouwden langen tijd alleen de „kentang djawa", een spitse knol, met diepliggende oogen en geel vleesch, eigenschappen, die haar op de Ned. Ind. markt slechts een zeer geringe handelswaarde geven. Later heeft men allerlei Europeesche soorten ingevoerd, doch men weet nog zeer weinig omtrent de waarde van die verschillende soorten in de tropen af. In de Preanger kweekt men nogal eens muizen.

De Bataks op de Karohoogvlakte telen op 1500 Meter tegenwoordig zeer goede, ziektevrijo

« SebelumnyaLanjutkan »