Gambar halaman
PDF
ePub

STATEMENT of the Accounts of the Charity called Lady MORRISON'S BEQUEST, of which the following Persons are the Trustees; viz., the Bailiffs, Wardens, Assistants, and

Commonalty of the Trade, Art, and Mystery of Weavers of the City of London, for the year ending on the 22nd day of August 1881.

1.-GROSS INCOME arising or due from the ENDOWMENTS of the Charity for the year ending on the 22nd day of August.

[merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][ocr errors][ocr errors][ocr errors][merged small][ocr errors][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small]

$. d. A bequest to the Company of 2001. in- 2,040 16 4

The bailiffs, wardens, assistants, and

commonalty of the trade, art, and mystery of Weavers of the City of London.

2.–BALANCES IN HAND and RECEIPTS on account of the Charity during the year.

3.—PAYMENTS on account of the Charity during the year.

Date.

[blocks in formation]

Balance in favour of the Charity, and in hand at the commencement of the 1883. Account Oct. 6 To cash quarter's dividend on 2,0401. 16s. 4d. Metropolitan 3 per cent. stock

vested 16th January 1872 in the purchase
of Metropolitan 31. 108. Consolidated
stock.

1881.
Jan. 6

Ditto
ditto

ditto Apr. 6 Ditto ditto

ditto July 5

Ditto ditto

ditto Aug. 22 To Charitable Income and Expeediture Account for deficiency of income

9

Ditto Ditto Ditto

ditto ditto ditto

[ocr errors]

17 10 17 10 17 10

17 6
17 8

8
17 9
0 7

17

8 3

[merged small][ocr errors][ocr errors][merged small]

4.- An ACCOUNT of all MONIES owing to or from the Charity, so far as conveniently may be stated, at the close of the year ending on the 22ud day of August 1881.

[merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small][ocr errors][merged small]

I hereby certify that the foregoing statements are correct,

Audited and found to be correct, (Signed) Thos. D. HUTTON, Trustee.

(Signed) N. J. POWELL, Auditor.
Dated the 6th day of December 1881.

OBSERVATIONS.
The bequest was inade for the following purpose, namely, to apply the dividends in two equal parts towards the maintenance of two persons members of the Weavers' Almshouses at Wanstead, one of
such persons to be a female and widow, and one a male and widower; and when elected to be entitled to the benefit for the whole term of their lives, or as long as they should reside in the said
alms houses at Wanstead.

Communications received from the Foreign Office with respect to

Guilds in Continental Countries.

BELGIUM.

Brussels, MYLORD,

July 11th, 1881. In answer to your Lordship's Despatch of the 8th inst., I have the honour to report that Trade Guilds have long ceased to exist in Belgium.

By Decree Vendemiaire Arn. IV. the French National Convention abolished all civil and religious corporations: this decree was put into force in Belgium in the year 1794, and their property confiscated.

To the Assistance Republique” was allotted the property of the Corporations Charitables," whilst that of the guilds and private religious societies was appropriated by the Government.

The property of the convents and private religious societies at the date of confiscation amounted to a little more than one fourth of the whole of the “Propriété Foncière ” in Belgium.

I have, &c.,

(Signed) W. GRAHAM SANDFORD. The Earl Granville, K.G.,

&c. &c. &c.

here enclosed, entitled “Contributions to the History of the Funds and other Property of the former Trade Guilds."

I have, &c.

(Signed) H. P. FENTON. The Earl Granville, K.G. &c. &c. &c.

Ministère des Affaires Etrangères,

La Haye,

le 10 Septembre 1881. M. LÉ CHARGÉ D'AFFAIRES,

En réponse à l'office du 11 Juillet dernier, par lequel M. Stuart a bien voulu me demander des ren. seignements au sujet des corps de métier (gilden), j'ai l'honneur de porter à votre connaissance que ces corporations ont été abolies dans les Pays Bas en vertu de l'article 53 des Dispositions Générales de la Constitution de 1798. Cette abolition a été suivie de la Publi. cation du Gouvernement du 5 Octobre 1798, prescrivant entre autres que, tous effets, valeurs, livres, chartes et papiers concernant les corps de métier seraient remis à des commissaires provisoires, choisis par les munici. palités dans les anciennes corporations susmentionnées.

Cette administration a gardé son caractère provisoire depuis jusqu'en 1820, lorsqu'un arrêté royal en date du 26 Juillet régla la liquidation des fonds encore existants et des autres possessions des ci-devant corps de métier. Cet arrêté autorisait les municipalités à procéder à la vente publique de ces biens et à placer le produit en inscriptions au Grand Livre de la Dette Nationale, tandis que les rentes annuelles de ces in. scriptions devaient être employées au profit d'anciens membres indigents du corps de métier, auquel le capital avait appartenu ou au profit des pauvres de la commune.

Pour autant que besoin je joins encore à la presente un exemplaire d'une brochure intitulée " Bijdrage over “ de kassen der voormalige ambachts-gilden,” contenant un exposé plus détaillé de ce qui précède.

Veuillez agréer, &c. &c.

(Signé) DE LYNDEN DE SONDENBURG. Monsr. Fenton,

Chargé d'Affaires de S.M.B.

&c. &c. &c.

NETHERLANDS.

The Hague, MY LORD,

September 12th, 1881. With reference to your Lordship's Despatch of the 8th of July last, instructing Mr. Stuart to endeavour to procure certain information relative to Trade Guilds in the Netherlands, I have the honour to enclose herewith a copy of the answer which I have received from the Netherlands' Minister for Foreign Affairs to an inquiry which Mr. Stuart addressed to his Excellency on the subject in question on the 11th of July.

Baron Lynden states in this answer that Trade Guilds or Corporations were abolished in the Netherlands under Article 53 of the general provisions of the Constitution of 1798, and that their abolition was followed by a Government order, dated the 5th of October of the same year, prescribing that all the property of every description, as well as the books, charters, etc., belonging or referring to the Trade Guilds should be handed over to certain provisional Commissaries chosen by the Municipalities from amongst the members of those former guilds.

This provisional state of things, Baron Lynden goes on to say, continued until the year 1820, when by a Royal Order, dated the 26th of July, the funds and other property still existing of the former Trade Guilds were finally dealt with. By that order the Munici. palities were authorised to sell publicly the property in question, and to invest the proceeds in Inscriptions in the Great Book of the National Debt, whilst the annual interest derived therefrom was assigned for the benefit of indigent members of the former trade corporations, to which the property had belonged, as likewise for the benefit of the poor of the communes.

In further elucidation of the subject, Baron Lynden incloses a pamphlet in the Dutch language, likewise

BIJDRAGE OVER DE KASSEN DER VOORMALIGE AMBACHTS

GILDEN. Onder de overblijfselen van vroegere maatschappelijke inrigtingen in Nederland behooren de gildenkassen, namelijk de goederen en gelden afkomstig van de“ Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neer

ingen, Ambagten of Fabrieken” welke bij de Staatsregeling van 1798 zijn vervallen verklaad.

Nog in vele steden van ons land worden tot heder die gildenfondsenafzonderlijk en eigenaardig geadminis. treerd, ingevolge de voorschriften het Kon. Besluit van 26 Julij 1820 No. 74, onder toezigt der gemeente besturen.?

Niet onbelangrijk kan het misschien voor de lezers van dit tijdschrift zijn een en ander te vernemen omtrent de opheffing der ambachtsgilden in ons land en het beheer hunner nagelaten kassen.

De gilden van arbeids- en handwerks-lieden in de 130 en 14e eenw geheel Europa door ontstaan, schijnen ook

van

i Zie art. 53 (ler Algemeene Beginselen van de Staatsregeling van 1798 (in Mr. van Hassell's Verzameling van Nederl. Staatregelingen en Grondwetten.

2 Dit Kon. Besl. van 26 Julij 1820 No. 74 is geheel opgenomen in Luttenberg's Vervolg op het Groot Plakkaatboek. Afd. Bestuur in de gemeenten bl. 67.

een

eeuw.

hier te lande van niet vroegeren oorsprong te zijn' en van 21 leden gekozen en belast met het ontwerpen eener zich gevormd te hebben uit een geest van associatie en Staatsregeling. De termijn van zes maanden haar toeverwering.? Die corporatiën zijn met de schutters. gestaan ter vervaardiging werd echter weinig overschregilden voor de poorters der opkomende steden “mid- den, want reeds den 10 November 1796 werd door haar * delen van verdediging geweest niet minder dan de Plan van Constitutie voor het volk van Nederland" stadswallen en de bevestigde woningen.'

der Nationale Vergadering aangeboden. Dit project Voortgesproten uit den tiers état, die in onderlingen handelt in de 24 Afdeeling van den gen titel in vijf artibijstand hulp zocht tegen de hoogere standen, waren kelen over de “ Gildens."1 de gilden “ de vormende staatskracht in alle steden."'4 Het stelt in het kort voor: Geen gilden zullen meer Hun dekens en hoofdlieden hebben door strijd de blijven bestaan (art. 736); geen nieuwe leden worden stedelijke vrijheden verkregen en die ijverzuchtig be- daarin toegelaten na aanneming der Constitutie en het waard met de gildebroeders. In elke stad van ons land Wetgevend Lichaam zorgt dat uit die afschaffing geen maakten, vooral van de 14e tot aan de 17e eeuw,

de onrechtvaardigheden voortvloeijen (art. 737); de Regerleden der ambachts- en schutters-gilden de kern en, om ing draagt zoog tegen het vervalschen van metalen, en een woord uit die tijden te gebruiken, de “wijsheit dat niemand dan na onderzoek de genees-, heel-, en ver

ende rijcdomme der burgerij uit en hadden met loskunde uitofene (art. 738); de Regering zal den bloei elkander grooten invloed op de stedelijke regering.“ van handwerken en fabrieken bevorderen (art. 739) en Evemvel werden zij bij hun wording reeds door een kan ter bevordering van Kunsten, wetenschappen en Philips van Leijden in de 14€ eenw schadelijk geacht industrie uitsluitende voorregten tijdelijk vergunnen en in de 17e heftig in ons land bestreden door Pieter de (art. 740). la Court.

Uit de beraadslagingen in de Nationale Vergadering Ofschoon er nu tegen de ambachtsgilden reeds 300 den 15 Maart 1797 over die artikelen, of eigenlijk alleen vroeg stemmen opgingen, omdat men inzag dat zij in over het al of niet afschaffen der gilden gehouden, niet geringe mate hinderlijk waren aan vrijheid in bedrijf teeken ik het navolgende op.2 en handel, zijn zij toch, evenals vele andere instellingen Bepaald verdedigd zijn de ambachtsgilden door nie. van het ancien régime, ook hier te lande blijven bestaan mand dan door den burger-representant de Mist. Hij en hebben hun leren gerekt tot aan en zelfs inde 19e meende dat men zoo maar niet de pen mocht halen door

de oude gildebrieven. Vooral finantieele bezwaren Zij waren gedurende dat eeuwenlang bestaan niet golden bij hem, alsook gemoedelijke bedenkingen. Men alleen als sterk monopoliserende vereenigingen zeer moest de regeling der gilden maar overlaten aan de schadelijk geworden en in minachting geraakt, maar volgende Wetgevende Vergadering. teveng in alle opzichten ontaard. Hiervan geven ons De overige leden die aan het debat deelnamen, sloebewijs de menigvuldige resolutiën en reglementen gedu- gen een meer revolutionairen toon aan, vaarden meer rende de 17e en 18e eeuw in de steden onzer Republick of minder hevig uit tegen de gilden en bewezen door op het stuk der gilden uitgevaardigd.7

allerlei voorbeelden hoe schadelijk voor handel en nij. Een ooggetnige van haar verval spreekt later in 1806 verheid die corporatiën destijds waren. dit harde vonnis over die voormalige corporatiën uit: De gilden hadden, zeiden ze, de domheid en onkunde " Het is niemand onbekend dat de gilden zeer verbas- van vader op zoon doen overerven. De representant terdwaren, en dat zij in niets anders bestonden dan Verhoijsen noemde ze “Grootvaderlijke en berookte “ in Cabalen, Dronkenschap, en Monopolie.'S

“ Oudheden.” De gilden hadden zich overleefd, zoo dat op deze De gilden, zei Vreede, hebben ons achterlijk gemaakt inrichtingen de Tocqueville's woorden volkomen toe- in de handwerken, zoo dat wij nog dezelfde zijn als vóór passelijk zijn: “Ces anciennes institutions se sont 200 jaren. Burger van Zonsbeek wilde liefst kort ziju

comme affaissées sur elles-mêmes sans se déformer.” 9 omdat zeker Engelsch schrijver, een groot man, met Deze middeneeuwsche stichtingen niet meer voor

name Smit, zoo veel ten nadeele van de Gilden geschhervorming vatbaar, werden door de revolutie op het reven heeft, als er iemand van zon kunnen zeggen." eind der 18e eeuw Kortweg vernietigd.

Er waren bezorgden onder de leden die vreesden dat Wij kunnen niet nalaten hierbij aan deze historische door de plotselinge afschaffing der gilden de goede orde bijzonderheid te herinneren dat terwijl de berveging

in de steden niet zou bewaard blijven. tot oprichting der gilden in Europa ontstaan is, daaren- Eidelijk resumeerde Burger Van de Kasteele het tegen uit de Vereenigde Staten van Amerika, ofschoon debat zeggende, dat uit de discussie duidelijk gebleken de gilden daar nooit bestaan hebben, de eerste stoot tot

dat alle de Leden bijna samenstemmen om het hun opheffing is gegeven. Zij zijn ook hierin voor

bestaan der Gildens, zooverre dezelven hinderpalen gangers van Europa geweest.20

opleveren tegen de industrie en tegen beuordering Er ligt voorzegging in Gijsbert Karel van Hogen- en verbetering der Neeringen, Ambagten en Fadorp's woorden, toen hij, in 1783 als jongeling gereed bricquen, ter doen ophonden.” staande om het jonge Amerika-ideaal der destijds Alzoo geen genade voor de gilden. ontwikkelden in Europa-te bezoeken, schreef: "Ik Niettemin heerschte bij de leden der Nationale Ver

ga een Staat zien minder dan anderen bekend en gadering een gemoedelijke angst voor de gevolgen welke mogelijk merkwaardiger dan alle anderen." 11

de vernietiging van die overjaarde corporatiën voor het Volgens de beginselen der Fransche revolutie van volk kon hebben. Men gevoelde dat er rekening moest 1789 hadden de ambachtsgilden geen regt van bestaan

gehonden worden met den invloed van traditie en eigen meer en werden zij dientengevolge in Frankrijk verv.

belang. allen verklaard. De Bataafsche broeders spraken hetz- Maar wij moeten ons inbonden en verder alle bijzonelfde doodvonnis uit over soortgelijke corporatiën, on

derheden en beschouwingen laten liggen, daar ons alleen bestaanbaar in hunne nieuwe Republick, bij hunne

tot taak gesteld is om het beheer der nalatenschappen Staatsregeling van 1798.

van de gilden na te gaan. Hoe rijk overigens niet aan bloedige gebeurtenissen Wij plaatsen ons thans voor het feit van de onherroemaar aan heftige tooneelen en groote woorden, had toch pelijke vernietiging der ambachtsgilden en bezien het het jaar 1795, het gewichtigste na 1581 in de geschiede. artikel 53 der Algemeene Beginselen van de Staatsnis van ons vaderland, ons nog geene constitutie gegeven.

regeling van 1798.

Het eerste lid van dat artikel verklaart alle Gilden De mannen der omwenteling hoedden zich in 1795 zorgvuldig voor overijlingen. Niet eerder dan in Maart enz. van neringen, ambachten en fabrieken voor ver

vallen. van het daaropvolgende jaar werd door de Nationale Vergadering der Bataassche Republiek eene commissie

In het tweede is neergelegd het beginsel in artikel 48 van de Verklaring der Rechten van den Mensch aange

nomen door de Conventie in Frankrijk of 23 Junij 1793 1 Wagenaar: Beschrijving van Amsterdam II. Stuk (iv. Deel 1 boek),

en door Klint aldus vertaald : " Geen soort van arbeid, bl. 432; Kluit. Historie der Hollandsche Staatsregering iv. bl. 176.

" landbouw of Koophandel kan aan vlijtige burgers 2 Zie J. D. Meijer: Esprit etc, des institutions judiciaires., T. iv. ch. 3.

3 Dr. R. Fruin. De antirevolutionaire bezwaren van Mr. Groen van verboden worden." Prinsteren overwogen bl. 74. (Amst. Gebhard en Co 1854 89), en J. A.

Het derde lid eindelijk van artikel 53 Komt te gemoet Nijhoff: De Arnhemsche Gilden (Geld. Almanak voor 1858 bl. 8-10). Mr. H. P. G. Quack: Staatswerzen in de XIV. ceuw bl. 263.

aan de bezwaren van Burger de Mist en anderen door 5 Vgl. hieromtrent: Klnit: Holl. Staatsregering t.a.p.en v.v., en Pieter Paulus : Verklaring der Unie van Utrecht III. Deel, bl. 214 en v.v.

Dr. R. Fruin : Eene Hollandsche stad in de middeneeuwen. Gids 1 Dagverhaal der handelingen van de Nationale Vergadering III. DI. 1873 bl. 165, en Sloet's Tijdschrift voor Staathuishond Kunde, II. Deel. bl. 635. bl. 272-279,

[Door de ondervinding geleerd herinneren wij, in navolging van 7 Zie hieromtrent. Wagenaar's Tegenwoordige Staat en Nederl. Dr. R. Fruin in 1854, dat door Mr. G. W. Vreede in Zijne Bijdragen Jaarboeken sedert 1747.

van 1951, boven aangehaall, in het II. Stuk bl. 92–103 een * Mr.

Sillem: Die politicke en staathuishondkundige werkzaamheden zigt der Handelingen van de Eerste Nationale Vergadering gegevan 1. J. A. Gogel, bl. 284.

ven is. Ook bij Studie is tijd geld waard.] 'De Tocqueville. L'ancien régime, p. 45.

2 Zie Dagverhaal enz Deel V., bl. 255-268. 10 Dr. Fruin : De antirevolutionaire bezwaren enz., bl. 73.

3 Zie: De rechten van den mensch in Frankrijk geen gewaande rech11 Brieren en gedenkschriften vau G. K. van Hogendorp I. b). 236. ten in Nederland bl. VIII. én 268 en v. v. (Amsterdam 1793, 8°). Dat

12 Mr. G. W. Vreede: Bijdragen tot de geschiedenis der omwenteling dit werk door Prof. A. Klint geschreven is, blijkt uit Zijne Hist. der van 1795-1798 I. bl. 31 en 48.

Holl. Staatsregering I. b). VII.

was

Ote

66

66

66

te bepalen: "Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt maar liefst de maatregelen welke dientengevolge

dat de goede orde, het gemak en gerief der ingeze- moesten genomen worden, uitstelde en daar zelfs met tenen, ten dezen opzigte, worden Verzekerd.”

zekere huivering voor terugdeinsde. Men had aanBlijkbaar vreesde men voor de gevolgen van de stonds den weg moeten inslaan door Frankrijk's opheffing der gilden als van een in het volksleven diep Nationale Vergadering genomen den 2 Maart 1791 bij ingrijpenden maatregel en voegde daarom ter gerust- haar decreet houdende - supression des droits d'aides, stelling aan art. 53 de gensemde slot-alinea toe. des maîtrises et jurandes.' Ofschoon er, toen bij onze Nationale Vergadering over In artikel 6 bepaalde het: “Les fonds existants dans de vernietiging der gilden zon gehandeld worden, les caisses des différentes corporations seront versés slechts één verzoekschrift daartegen inkivam en de dans la caisse du district, qui en tiendra compte de gedecreteerde opheffing met opgewondenheid werd l'extraordinaire. afgekondigd, zoo vond het besluit toch in de intvoering Les propriétés, soit mobilières, soit immobilières grooten tegenstand van de zijde der bevoordeelden. I desdites communautés, seront vendues dans la forme Daaruit is te verklaren dat reeds de Publicatie van prescrite pour l'aliénation des biens nationaux et le 25 Mei 1798, nadat de Staatsregeling op den eersten produit des dites ventes sera pareillement versé dans dag dier maand was geproclameerd, de losmaking der la caisse de l'extraordinaire.” gilden eenigzins tegenhield door te bepalen dat · han- Is deze maatregel, hoe rddikaal ook, evenwel niet

gende de deliberatien over deze materie, alle pla- oneindig beter geweest dan het niet of ten halve caaten enz. provisioneel en tot dat daarin bij eene regelen zooals het Bataassche Uitvoerend Bervind deed

speciale Wet zal worden voorzien, blijven in volle den 5 October 1798 ? Eigenlijk werd toen niets “ kragt." Spoedig daarna evenwel werd dit besluit, geregeid. De administratie van en het toezigt op de hetwelk eigenlijk den onden staat van het in een bezittingen der gilden bleef op den ouden voet als vóór gevallen gildenwezen poogde te bestendigen, inge- hun afschaffing. Men liet de fondsen der vernietigde trokken en bij de Publicatie van 5 October 1798 op gilden onder dezelfde personen, die slechts van titel onverwijlde ontbinding der gilden, en wel “uiterlijk veranderden en nu niet meer overlieden of gilden“binnen agt dagen na den ontfangst deezer aange

meesters of Bewindvoerende Personen" heetten, drongen. Deze regeling der gilden-zaken in October maar den naam kregen van “Provisioneele Commis. 1798 verdient onze volleaandacht, omdat zij deze

“ sarissen." materie, namelijk de nalatenschappen der ontbonden Die administratie over de gilden-kassen heeft haar gilden, tot aan 1820 heeft beheerscht.

voorloopig karakter sedert 1798 tot 1820 gehonden. In de eerste plaats acht het Vertegenwoordigend Toen is die halve regeling, in 1798 welligt uit gebrek Lichaam het zijn onvermijdelijken plicht art. 53 van aan kracht provisioneel gemaakt, voor goed bestendigd de Algemeene Grondbeginselen der Staatsregeling," bij het vroeger gensemde Kon. Besluit van 26 Julij van ten spoedigste in werking te brengen en gelast daartoe dat jaar, hetwelk de gilden-kassen bracht “onder het

alle Municipaliteiten te zorgen dat alle Giden enz duurzaam beheer von gecommitteerden zoo veel (voor zooverre dezelve nog niet ontbonden zijn) met eenigzins mogelijk genomen uit hen die een gelijk alle gevolgen en aankleeven van dien ontbonden “ bedrijf uitoefenen als waartoe het gewezene gilde worden.”

* betrekking had” terwijl deze gecommitteerden of Het historisch verband tusschen de steden en de commissarissen gekozen en onder toezicht geplaatst daarin bestaande gilden en de later gevolgde afhanke- werden van het plaatselijk bestuur. lijkheid dier corporatiën van de Stedelijke besturen, Maar wijzijn te ver voornitgeloopen en hebben eerst verklaren ons de rol aan de municipaliteiten toegewezen te beschouwen det wet van 30 Januari 1808" waarnaar bij de ontbinding dier “Genootschappen van Koop- alle Corporatiën, tot het uitofenen van neringen, "handel en Handwerkslieden."9 Gogel zegt dan ook ambachten en bedrijven, binnen het Rijk zullen in December 1806 in den Staatsraad, toen men daarin moeten worden ingerigt." de Gildenwet van 1808 voorbereidde : “ De Corporatiën Wat heeft aanleiding tot die wet gegeven? Er is " en Gilden zijn altoos bestuurd geweest naar wille- grond om te veronderstellen dat de werkelijke oorzaken

keurige wetten. Het Bestuur der Gilden is altoos tot de weinig afdoende maatregelen na 1798 genomen

op een zeer verschillenden voet door de Magistraten ten opzichte der gilden-kassen, gelegen zijn in den der Steden gevoerd geweest, niet volgens algemeene wensch van het volk naar herstel der gilden en in den wetten, maar met volle Souvereiniteit.''3

weinigen Staathuishondkundigen zin der Regering, Ne deze ontbinding, zoo gaat bedoelde Publicatie waardoor zij meende aan dien volkswensch te moeten voort, worden de bewindvoerende personen van zoo- toegeven. De afschaffing der gilden scheen wel een danig bestaan hebbende gilden niet meer erkend, maar der onbetwistbaarste punten der Staatkundige her. vervangen door “Provisioneele Commissarissen bij de vorming vóór en in 1798. Maar ofschoon eenmaal “ respective Municipaliteiten te benoemen.” Later aangenomen en afgekondigd, brachten verlangen naar vinden wij ditzelfde beginsel, namelijk opdragt aan de het onde en gebrek aan eenheid en klem van bestuur te Stedelijke besturen om te waken voor het beheer en weeg dat op de meeste plaatsen slechts halve maatre behond der gildenkassen, terug in det wet van 30 gelen tot vernietiging der gilden genomen werden." Januarij 1808 en in het Kon. Besluit van 26 Julij 1820, Bervijs voor dit beweren putten wij hieruit dat tenge No. 74, welke heiden dit onderwerp betreffen, terng. volge aan art. 53 der Algemeene Beginselen van de Zoo zijn de stedelijke besturen bij ons te lande, eerst Straatsregeling van 1798 sedert dien tijd

tot 1803 alleen uit gilden voortgekomen en late hunne wereldlijke tien verschillende publicatiën van het Hooge Bestuur patronen geworden, zelfs nadat die genootschappen verschenen, waarbij die van 5 Oct. 1798 steeds “gere. geheel vervallen waren, de middslijke bewindvoerders

noveerd

werd. In allen komt deze vaste en karak. gebleven over de nagelaten gilders-goederen tot heden teristieke formule voor dat de Regering ze uitvaardigt toe.

hangende de deliberatiën van het VertegenwoordiDe Publicatie van 5 October 1798 houdt verder in gend Lichaam over het volledig in werking brengen dat de provisioneele Commissarissen door de munici

art. 53 der Algemeene Beginselen” boven paliteiten benoemd “ alle Effecten, Gelden, Boeken,

bedosld. Alle deeze Publicatiën (zoo drukte zich de * Chartres en Papieren de Gilden concerneerende” Staatsraad Mr. Hultman in 1806 uit) dragen de zullen overnemen ; dat zij (de stedelijke magistraten) duidelijkote spooren dat omtrent dit gewigtig onderzullen waken dat “hangende de deliberatiën van het werp en te volkomen daarstelling van die afschaffing Vertegenwoordigend Lichaam over deeze belangrijke der gilden vele inconvenienten overbleven. Ook de

zaak” de plakaten enz. Voor zooverre zij haare herhaling van het bevel tot opheffing der gilden in

betrekking hebben tot de goede Politie," om alle art. 4 der Staatsregeling van 1801 geeft duidelijk te wanorde to vermijden, stipt zullen worden nagekomen, verstaan dat zij nog verre van afgeschaft waren. tot daarin in het algemeen zal zijn voorzien. Eindelijk Opmerkelijk is tevens het Besluit door het Staatsworden de municipaliteiten gelast eene nauwkeurige

bewind op 12 October 1804 genomen, waarbij de Raad opgave te doen van den aard der vernietigde gilden,

van Binnenlandsche zaken herinnerd werd om ten gelijk ook van de Fondsen die bij dezelve bezeten spoedigste “over het werk der Gilden voord te varne worden."

en daaromtrent de noodige voordrachten in te Uit dit voor ons doel belangrijk besluit van October 1798 blijkt nient onduidelijk dat men wel vasthield aan 1 Zie, Lois et actes du Gouvernement. T. III. p. 2, etc. het revolutionaire beginsel van vernietiging der gilden, 2 Zie Mr. H. W. Tijdeman's bekroonde prijsverhandeling over de

Gilden, 1827. (Nieuwe Verhandelingen van het Zeemosche Genoot. schap der Wetenschappen IV. Deel, bl. 8.).

3 «Trek naar het onde, die zich in Frankrijk den 18 Brumaire gelijk 1 Dr. R. Fruin t. a. p. bl. 68. Mr. Sillem t. a. p. bl. 276.

bij ons in 1802, begon te openbaren.” Mr. H. W. Tijdeman, Prijsver2 Zie Wagenaar's Beschrijving van Amsterdam, II. Stuk (11. Deel, handeling t. a. p. bl. 99. 1 boek) bl. 132 en v. v.

* Zie Hultman's redevoering in het Wetgevend Lichaam op 6 Januari 3 Mr. Sillem, t. a. p. bl. 287.

1808, bij de indiening der Wet, medegedeeld in de kon. Courant van * Zie de Publicatie van 5 October 1798 in haar geheel opgenomen in de 19 Februari 1809, No. 43. Verzameling van Publicatien. In den Haag. Ter 's Lands Drukkerij. 5 Zie Mr. van Hasselt's uitgave der Staatsregelingen, bl. 94.

66

van

om de

greep.

van

" zenden." Wellicht hondt hiermede verband Gogel's Wij gelooven dat de Publicatie van 5 October 1798 beweren in den Staatsraad der 8 December 1808, dat hare kracht behield ten opzigte van de kassen der het stuk der gilden de aandacht der Regering van afgeschafte gilden ook na 1808.' onderscheiden Staten, en bijzonder in dit land, die van Hoe is de toestand nopens die kassen gedurende don Wetgever reeds gedurende verscheidene jaren onze inlijving bij Frankrijk geweest ? Naar wij heeft bezig gehouden.'

meenen is hij gebleven zooals hij was vóór die gebeurVoorzeker hebben de onrustige tijden en de afwis

tenis. Het decreet van 2 Maart 1791, waarover hier seling van regeerings vormen verhinderd

te voren gesproken is, dat de goederen en fondsen der ongelijkheid in de afschaffing der gilden te doen opgeheven gilden in Frankrijk deed vervallen aan den ophonden. Intusschen hadden bij ons reactie tegen

Staat, is hier te lande niet executoir verklaard. Wel de beginselen van 1798 en helling naar het onde teweeg

heeft de Prefect in het Departement van de Zuiderzee gebracht dat in 1806 de wederoprichting der gilden bij een arrêté van 31 Januari 1812 de gilden andermaal eene vraag van den dag was.

vernietigd verklaard, maar zoolang niet het Fransche Werkelijk kreeg die gildenbeweging eene oplossing

Decreet van 1791 hier te lande kracht van wet gekregen ten haren voordeele in de Wet van Koning Lodewijk

had, bleven de bepalingen der Publicatie van 5 October

1798 van kracht. Er wordt beweerd dat op vele van 30 Januari 1808. Het baatte niet dat Gogel, de

plaatsen eerst onder het keizerlijk bewind de geheele toenmalige Minister van Finantien, in den Staatsraad al de nadeelen der gilden opgesomd en ze met snijdende

afschaffing der Gilden-genootschappen de facto plaats

Het blijkt echter niet waarop dit steunt. argumenten veroordeeld had. Van het nuttelooze van zijn tegenstand, zoowel bij zijn ambtgenooten als bij

Welligt alleen op het bovenvermeld arrêté van den den Koning zeker, eindigde hij mismoedig zijne

Prefect in het Departement van de Zuiderzee. Indien

dit al gewerkt heeft, is het in kleinen kring en niet redevoering met te zeggen: “Het is dam ook meer als

blijvend geweest. een maatregel van toegevendheid dan wel uit volle overtuiging hat ik de voordrogt heb geredigeerd,

Onmiddellijk bijna nadat onze Staat zich los gemaakt

had van de Fransche overheerxhing, werd de Souvewaarvan het ontwerp van wet het resultaat is."?

reine Vorst van vele Kanten aangezocht tot herstel der De Regering had toegegeven aan de pressie der zes

gilden. het Koningrijk Holland, voornaamste Steden

De algemeene armoede en stilstand in vele

neringen en bedrijven waren daarvan de voornaamste namelijk van Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Lei

oorzaken. Het eerste verzoekschrift is reeds van de den, den Haag en Delft. Deze voornaamste plaatsen

tweede helft van December 1813. Hun aantal vervan het meest verlichte gedeelte van ons vaderland

meerderde zoodanig dat in het laatst van Juni 1814 de hadden gezamenlijk eene memorie bij de Regering

Gouverneurs in de provinciën uitgenoodigd werden om ingediend, waarin zij beweerden dat:

op het stuk der Gilden hunne gedachten op te geven. 10. Het voor een Souverein, Vader van al zijn

Uitgezondered die Van Drenthe en Utrecht, veronderdanen, niet onverschillig was hoe en waar dezen

klaarden de meeste provinciën zich vóór et herstel. hunbrood verdienen ;

Waarschijnlijk dientengevolge bood in Januari 1815 2o. de men

ensch, ter bereiking van eigen voordeel, de Minister van Binnenlandsche Zaken een voordracht gaarne buiten denkring gaat door de wet gesteld; met conceptwet aan tot wederinvoering der gilden. Dit

3o. wanneer het onzeker is of vreemdelingen meer ontwerp van wet was geheel en al naar de wet van dan ingezetenen bij het maken eener wet zullen be- 30 Januari 1808 geschoeid met eenige veranderingen voordeeld worden, dan de wet niet te makin;

welke de omstandigheden volstrekt noodig maakten. 4o. wanneer het zeker is dat ingezetenen door de con

Het is echter blijven liggen en van geen gevolg currentie van vreemdelingen in hun bestaan zonden

geweest. lijden, dan die concurrentie onvoorwaardelijk te

Intusschen is men in de eerste jaren der regeering weren ?

van Koning Willem I. blijven aandringen om de

gilden weder in het leven te roepen. Deze bespiegelingen getuigen van den nood der tij

Bij Zijn beden onder Koning Lodewijk en wellicht van eene dien

sluit van 4 Augustus 1816 No. 53 gelastte Hij alle

rekwesten betreffende "herstelling der zoogenaamde tengevolge voorgewende economische bekrompenheid. Doelde de Koning op de adressen dezer zes steden

gilden te seponeren en de zaak buiten deliberatie

te honden.' toen hij den 28 November 1807, in zijn boodschap

Eindelijk werd door Z. M. den 22

October 1818 op het. gezamenlijk rapport Zijner Miniaan het Wetgevend Lichaam zeide : “ Nous avons vu,

sters van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en van avec le plus grand plaisir, l'esprit qui anime los négocians et les commerçans probes des principales tegenwoordige niet hersteld worden.

Financien beslist : De voormalige Gilden zullen voor het só villes ” ??

Denzelfden dag

waarop dit besluit viel, werd bij een ander de Minister Bezien wij deze wet van 1808 van naderbij dan valt van Binnenlandsche Zaken gelast om Z. M. bepaop te merken dat zij wel vele veronderde gildebe

lingen voor te dragen“ welke omtrent het employ der palingen afschafte en eenigzins vrijheid van industrie

gelden van die voormalige gilden-kassen zouden waarborgde, maar dat zij tegelijk handhaafde het

behooren gemaakt te worden.' beginsel van vereeniging van lieden die een zelfde

Reeds had deze Minister, door den Gouverneur van nering of bedrijf uitoefenden.

een der provincien daarop gewezen, in een rapport De Konlng, zoo luidde het bij de indiening der wet van 14 Augustus 1811 onder des Konings aandacht aan het Wetgevend Lichaam, heeft toegegeven

aan het

gebracht dat "op vele plaatsen nog Kassen der oude veelvuldig uitgedrukt verlangen om de Gilden eeni. “ Gilden aanweizig zijn, welke thans zonder eenig

gei mate te behonden of hersteld te zien," maar nut verblijven.” Tengevolge nu van's Konings last begeerde dat daarin al het nadeelige en naar mono. werden 5 November 1818 de Gedeputeerde Staten der polie zweemende zorgvuldig zon vermeden worden.“ Noordelijke Provincien bij circulaire aangexhreven om

Volgens paragraaf 20 zon het bestuur der kas toever- op te geven of in hunne provincie "nog zoodanige trouwd worden aan hen die met de directie der cor- “Kassen van onde Gilden aanwezig zijn; de plaatsen poratie belast zijn en dit beheer geschieden onder waar dezelve nog bestaan; het bedrag dier Kassen toezicht der plaatselijke besturen, aan welke jaarlijks

en het voorname oogmerk waartoe die zijn opgebehoorlijke rekening en verantwoording moet gedaan " bracht." worden.

Langzaam kwamen de verlangde opgaven en beWij willen uit deze wet alleen nog vermelden, dat,

richten in. volgens par. 12 en 25, alle Kenrenenz., weleer voor

Ien laatste was op 30 Maart 1820 de Minister van onderscheidene gilden gemaakt, van kracht bleven

Binnenlandsche Zaken in staat bij breed gemotiveerd totdat nieuwe reglementen, welke vóór 1 Januari 1809 rapport aan Z. M. een concept besluit aan te bieden moesten ingezonden zijn (par. 12) zonden zijn gear

hondende een reeks van bepalingen waarbij de liquiresteerd.

datie en verevening der over gebleven fondsen Of dit geschied is, betwijfelen wij. In elk geval

verdere bezittingen van de voormalige gilden gere. heeft die wet van 1808, tengevolge der veranderde

geld werden. Staatsinrigting hare werking, zoo zij die ooit gehad

Die bepalingen zijn door den Koning na den Raad

van State gehoord te hebben, bekrachtigd bij Zijn heeft, verloren.

besluit van 26 Julij 1820 No. 74.3

Wie geduld genoeg gehad heeft om ons zeer onvol

en.

ledig historisch overzicht, omtrent als wat tusschen 1 Mr. Sillem, t. a. p. bl. 277. 2 Mr. Sillem, t. a. p. bl. 303. Mr. Sillem, t. a. p. bl. 304-306.

1 Mr. H. W. Tijdeman t. m. p. bl. 9 en 108. Mr. Fortuyn. De Gil. 4 Louis Bonaparte. Documents historiques, Tome II., p. 74.

darum historia, forma, etc., p. 223 et 224. Beiden stippen de wet van 5 Zie Hultman's rede, in de boven aangehaalde Kon. Courant van

2 Zie Mr. H. W. Tijdeman's bekroonde prijsverhandeling, pag. 9. 6 De Bosch Kemper. Handleiding tot de kennis van het Nederl. 3 Zie Luttenberg's Vervolg op het Groot Rakkaatboek, afd. Bestuur in Staatsrecht enz. bl. 764 en 765.

de gemeenten, bl. 67.

1808 aan, neer niet.

1808.

« SebelumnyaLanjutkan »